Papierleren of schermleren? (copy)

DE BESCHOUWING

Sinds corona in vele landen lockdowns veroorzaakte, is onlineonderwijs geëxplodeerd. Instellingen gooiden alle educatieve bedenkingen overboord en gingen volledig online. Educatieve uitgeverijen sprongen hier handig op in door (tijdelijk) gratis onlinelesmaterialen te verlenen. Een slimme geste, maar leren we van het scherm net zo goed, of misschien wel beter, dan van papier?

Odette Bruls

is docent Marketing aan Tilburg University, zelfstandig onderwijsontwikkelaar en wetenschapsjournalist.

Credit: Gijs Klunder

Papierleren of schermleren?

Onlinetekstbegrip komt niet vanzelf, maar is aan te leren

Het e-book dateert al van 1971 toen de Amerikaan Michael Hart de US Declaration digitaliseerde. Hij verspreidde dit binnen het computernetwerk van het Ministerie van Defensie, drie jaar voordat het internet ontstond.

De echte introductie van het e-book volgde pas zo’n twintig jaar later, in de jaren 90 van de vorige eeuw. Vanaf de eeuwwisseling kwam online-informatievoorziening in een stroomversnelling met de snelle opkomst van internet, gevolgd door een duizelingwekkende ontwikkeling van allerhande devices. Vandaag de dag kunnen we ons geen puur analoog leven meer voorstellen.

Ons leesgedrag volgde deze ontwikkelingen, of misschien volgde het aanbod van onlineleesvoer juist ons veranderend leesgedrag. Voor het resultaat maakt het niet uit: schermlezen neemt toe en papierlezen neemt af. Niet verrassend neemt de jongere generatie hierin het voortouw. Veertig procent van hen zegt uitsluitend online te lezen, aldus een in 2015 uitgevoerd leesonderzoek van het SCP (Wennekers, Huysmans, & de Haan, 2018). En dat is inmiddels alweer vijf jaar geleden. Hetzelfde leesonderzoek wijst ook uit dat het scherm eerder een aanvulling op, dan vervanging van het papier is.

Van online lezen naar online leren

Dat we steeds meer online lezen is dus een feit. Maar of we daarmee ook beter online leren, is een vraag die wetenschappers en opleiders al decennialang bezig houdt. Recentelijk zijn er enkele waardevolle meta-analyses uitgevoerd waarin de data van een groot aantal eerder uitgevoerde studies bij elkaar zijn geveegd. De titel van de zeer omvangrijke meta-analyse van Delgado, Vargas, Ackerman en Samerón (2018) is veelzeggend: Don’t throw away your printed books.

Verschillen tussen scherm- en printgebruik worden veelal gemeten aan de hand van leessnelheid en tekstbegrip. Wat betreft leessnelheid maakt het niet uit of we vanaf scherm of papier lezen (Kong, Seo, & Zhai, 2018). Maar gaat het om tekstbegrip, dan doen we dit beter met een tekst in de hand dan een tekst op het scherm (Delgado et al., 2018). De superioriteit van papier voor tekstbegrip blijkt zelfs nóg sterker wanneer de lezer onder tijdsdruk staat. Dat klinkt niet hoopgevend voor de vele online-examens die tijdens de coronacrisis worden gemaakt.

Hardnekkig verschil

Het is interessant om te weten dat leren vanaf papier tot beter tekstbegrip leidt. Maar het is te kort door de bocht om daarmee schermlezen af te serveren. Er zijn meer factoren die bepalen in welke mate iemand leert, bijvoorbeeld het type tekst. Wanneer mensen verhalende teksten online lezen, is hun tekstbegrip even goed als wanneer zij een fysiek boek lezen (Delgado et al., 2018). Dit betekent dat het niet uitmaakt of iemand een roman in papieren- of e-bookvorm leest.

Een voor de hand liggende vraag is ook of we in de loop van de tijd steeds beter hebben ‘geleerd’ om online te leren. En kan de digitale jeugd een tekst vanaf een scherm beter begrijpen dan oudere generaties? Dat blijkt niet het geval. De studie van Delgado en anderen uit 2018 concludeert juist het tegenovergestelde: de superioriteit van papierleren boven schermleren neemt toe gedurende de twee decennia waarvan zij onderzoeksdata analyseerden. Bovendien vonden ze geen verschil tussen leeftijdsgroepen. Een hardnekkige situatie dus, die vraagt om meer inzicht in wat er dan precies anders gaat tussen scherm- en papierlezen.

Multicodering

Wanneer we lezen, slaat het geheugen allerlei soorten informatie hierover op. Uiteraard wordt de tekst als zodanig opgeslagen, dit wordt de verbale code genoemd. Daarnaast worden sensorische codes bewaard. In het geval van een boek of tijdschrift zijn dat bijvoorbeeld kleuren, plaatjes, de dikte van het boek of de lengte van het (online)artikel. Of de muziek die we luisteren tijdens het lezen. Tot slot slaat het geheugen ook op welke bewegingen we maken, de motorische code. Maken we aantekeningen in het boek, slaan we pagina’s om of maken we digitale notities? Alles kan een plek in ons geheugen krijgen.

Het multigecodeerd opslaan van informatie zorgt ervoor dat deze extra goed verankerd wordt en hopelijk ook goed terug te vinden is wanneer we het nodig hebben. Soms gaat dat mis. Wie kent niet het gevoel tijdens een tentamen van ‘ik zie het voor me staan op die en die pagina, maar ik kan er niet op komen’? Meestal werkt de multicodering gelukkig in ons voordeel. Het feit dat ons brein op meerdere manieren informatie opslaat, helpt ook om de verschillen tussen scherm- en papierlezen te begrijpen. Wetenschappelijk onderzoek leidde tot twee verklarende stromingen: de ‘cognitieve plattegrond’ en het ‘medium materialisme’ (Hou, Rashid & Lee, 2017).

Cognitieve plattegrond

Stel, we lezen een fysiek boek. Al bladerend kunnen we de structuur al zien door bijvoorbeeld de inhoudsopgave en hoofdstukindeling. Behalve de tekst zien we ook de context: lay-out, pagina-indeling en plaatjes. Dit zijn ruimtelijke cues, ofwel signalen. We kunnen in het boek naar voor en naar achter springen zo veel als we willen, maar alle ruimtelijke signalen blijven braaf op dezelfde plaats staan. Dit alles fixeert zich in ons brein als een virtuele kaart, in de wetenschap cognitieve plattegrond genoemd. Deze plattegrond helpt ons om de structuur van de tekst te bevatten en dat verbetert op zijn beurt ons tekstgeheugen en tekstbegrip.

Schermteksten zijn, vergeleken met een fysiek boek of tijdschrift, variabel. We missen hier de ruimtelijke signalen waarmee we onze ‘leespositie’ kunnen bepalen. Al scrollend verandert de lay-out continu en dan kunnen er ook nog hyperlinks zijn die ons verleiden om verder te springen naar een andere pagina. Hierdoor maken we een minder verfijnde virtuele kaart en dolen we rond in de teksten. Al deze dynamische activiteiten nemen bovendien veel tijdelijk geheugen in beslag, waardoor een cognitieve overload op de loer ligt (Nichols, 2016). Met als gevolg dat we de te bestuderen tekst minder goed begrijpen dan wanneer we dezelfde tekst op papier zouden lezen.

Mediummaterialisme

Elk medium heeft ook zijn eigen sensomotorische kenmerken. Een papieren boek of tijdschrift heeft er meer dan een schermtekst. Papier is voelbaar, we hebben er direct fysiek contact mee. We slaan pagina’s om, kunnen er papiertjes tussen leggen of erop schrijven. Dit vindt ons multicoderend geheugen fijn, want het kan deze motorische codes mooi opslaan als onderdeel van de cognitieve plattegrond.

Bij schermlezen daarentegen zien we alleen wat er op het scherm staat; de rest van de tekst is op dat moment fysiek verborgen. Bij een smartphone is dat maar een heel klein stukje tekst, bij een laptopscherm wat meer, maar altijd nog minder dan wanneer er een boek of tijdschrift voor ons ligt. Hoewel er steeds meer en betere mogelijkheden zijn tot online interactief lezen, zoals digitaal markeren en aantekeningen maken, levert dit ‘muisklik- en scrolwerk’ minder motorische variatie op dan bij het ouderwetse bladeren en schrijven. We hebben dus bij onlineteksten minder fysieke verbondenheid met wat we lezen. Dit heeft indirect effect op ons tekstbegrip (Hou et al., 2017). Immers, meer materialistische cues helpen, net zoals ruimtelijke cues, een goede virtuele kaart te fabriceren.

Overschatting én onderschatting

Er is dus duidelijk een interactie tussen het medium en het brein. Hoe meer en betere cues het medium verschaft, hoe beter gestructureerd en dieper het brein de informatie kan verwerken. Naast mediumgerelateerde factoren hebben we echter ook te maken met menselijke factoren. Zo hebben mensen die veel vanaf een scherm lezen de neiging hun begripsvermogen te overschatten. Omdat ze het scherm vaak gebruiken, denken ze digitale teksten beter te kunnen begrijpen dan ze in werkelijkheid doen (Nichols, 2016; Delgado et al., 2018).

Aan de andere kant worden digitale media zelf juist onderschat. Wetenschappers noemen dit de ‘oppervlakkigheidshypothese’ (Delgado et al., 2018). Digitale media belonen ons snel, zonder dat we veel leesmoeite hoeven te doen. Een nieuwsfeitje hier, een filmpje daar en we zijn weer helemaal bij. Online-informatie wordt steeds meer geassocieerd met snelle, oppervlakkige informatie en minder met diepgaandere items. Daarmee wordt het medium als zodanig onderschat. Mensen hebben zichzelf daarbij ook vaak een leeshouding aangemeten die past bij oppervlakkige informatie, wat het lezen van een ingewikkelder item bemoeilijkt.

Van nadeel naar voordeel

We kunnen concluderen dat papierleren effectiever blijkt voor tekstbegrip, abstractere interpretaties en diepere verwerking van informatie. Ook bij de digitaal opgroeiende jeugd. Studenten geven dus niet voor niets in onderzoeken te kennen dat ze papieren leermaterialen verkiezen boven onlinematerialen (Nichols, 2016). Maar onlinemedia hebben gelukkig ook hun voordelige kanten. Schermen geven ons toegang tot een grote actuele informatierijkdom en interactieve contacten. Ze zijn in staat tekst, beeld en geluid te integreren (Kong et al., 2018). Daarmee is digitale informatie zeker een aanvulling op het oude, vertrouwde papier.

Hoe kunnen we het dynamisch, interactief en geïntegreerd onlineaanbod dan zodanig tot ons nemen dat we er net zo goed van kunnen leren als uit een boek? Ook daar wordt onderzoek naar gedaan. Zo helpt het bij schermleren om teksten samen te vatten en kernbegrippen te noteren, al dan niet op een (parallel) scherm. En wanneer mensen weten dat een leestaak belangrijk is, slagen zij er ook beter in dit online grondig te doen dan wanneer ze het onbelangrijk achten (Sidi, Shpigelman, Zalmanov, & Ackerman, 2017). Onlinetekstbegrip komt dus niet vanzelf, maar is aan te leren. Het vak ‘informatietechnologie’ mag in alle curricula blijven staan, van kleuter tot volwassene. 

Samenvattend

  • We lezen steeds meer van beeldscherm, vaak ter aanvulling op print
  • 40 procent van de jongeren leest uitsluitend van beeldscherm
  • Of een tekst beter wordt begrepen van papier of op een beeldscherm hangt af van het type tekst
  • Van een fysieke tekst overzien we de structuur beter
  • Informatie van papier verankert beter doordat het brein meer ‘sensorische codes’ opslaat
  • We lezen schermtekst vluchtiger omdat online-informatie geassocieerd wordt met oppervlakkig

Foto: Demonstratie van het gebruik van computers in de klas, halverwege de jaren ’80.
Credit: Anefo/ Nationaal archief


    Warning: Undefined array key -1 in /var/hpwsites/u_twindigital_html/website/html/webroot/tekstbladpremium.nl/wp-content/plugins/diziner-core/lib/TwinDigital/Diziner/Core/Post.php on line 965
  • Papierleren of schermleren? (copy)

    Vorig artikel

    Warning: Undefined array key 0 in /var/hpwsites/u_twindigital_html/website/html/webroot/tekstbladpremium.nl/wp-content/plugins/diziner-core/lib/TwinDigital/Diziner/Core/Post.php on line 928
  • Papierleren of schermleren? (copy)

    Volgend artikel

Nog geen abonnee?

Tekstblad verschijnt 6 keer per jaar. Word lid en ontvang meteen het volgende nummer van Tekstblad!

Ga naar de website of stuur een e-mail naar klantenservice@virtumedia.nl

Contact

Redactieadres Tekstblad, p/a Departement van Communicatie en Cognitie, Tilburg University, Postbus 90153, 5000 LE Tilburg of redactie@tekstblad.nl.

Uitgever Virtùmedia, Postbus 595, 3700 AN Zeist, 030-6920677, tekstblad@virtumedia.nl, virtumedia.nl

Nieuwsbrief

Meld je aan voor onze nieuwsbrief en ontvang het laatste nieuws.

© Tekstblad – 2022